Hector Berlioz
Louis Hector Berlioz (La Côte-Saint-André, 11 december 1803 – Parijs, 8 maart 1869) was een Frans componist. Hij was een belangrijk en vernieuwend vertegenwoordiger van de Franse romantiek. Daarnaast was Berlioz actief als muziekcriticus en dirigent.
Inhoud |
Levensloop
Hector Berlioz was de zoon van een plattelandsdokter. Hij kreeg in zijn geboorteplaats (gelegen tussen Lyon en Grenoble) muzieklessen van zijn vader. Op zijn twaalfde had hij zijn eerste werkelijk muzikale ervaring toen hij tijdens zijn eerste communie het meisjeskoor hoorde zingen! In hetzelfde jaar werd hij verliefd op een meisje uit de streek, Estelle Duboeuf, die later opnieuw een rol in zijn leven zou spelen.
Berlioz werd in 1821 naar Parijs gestuurd om er geneeskunde te studeren. Maar hij kwam er zo onder de indruk van de opera, dat hij tegen de wens van zijn ouders in besloot componist te worden. Vooral de werken van Gluck waren voor hem een openbaring. Gluck zou zijn leven lang een idool blijven.
Berlioz nam privélessen bij Jean-François Lesueur, en wist in zijn overmoed een zelfgecomponeerde mis opgevoerd te krijgen, die hij later probeerde te vernietigen. In 1991 is het werk in Antwerpen teruggevonden. Toen hij mee wilde dingen naar de Prix de Rome, kwam hij niet eens door de voorronde.
Wijs geworden schreef hij zich in aan het conservatorium, waar hij les kreeg van Lesueur en Antonin Reicha. In deze tijd ontdekte hij achtereenvolgens de werken van Shakespeare, Beethoven en Goethe, die allen een grote invloed op hem zouden uitoefenen. En hij werd hopeloos verliefd op de Ierse toneelspeelster Harriet Smithson. Zijn ongelukkige passie voor haar inspireerde hem tot het schrijven van zijn Symphonie fantastique.
In 1830 won hij de Prix de Rome en verbleef aansluitend anderhalf jaar in Rome. Hij verveelde zich er dood, aangezien er weinig te beleven viel op muziekgebied. Maar de herinneringen aan Italië kwamen hem van pas toen hij een paar jaar later zijn symfonie met altviool Harold in Italië schreef. Deze symfonie ontstond dankzij een opdracht van Paganini, die het stuk echter afwees toen hij merkte dat hij er niet voldoende in kon schitteren als virtuoos. Later zou hij Berlioz alsnog zijn bewondering laten blijken met een gift van 20.000 franc.
In 1831 vertrok Berlioz naar Parijs met twee pistolen en gif. Hij was van plan twee moorden en zelfmoord te plegen, omdat hij had gehoord dat zijn verloofde achter zijn rug getrouwd was. Hij kwam echter niet verder dan Nice, waar hij volgens eigen zeggen de twintig mooiste dagen van zijn leven doorbracht.
Na veel avontuurlijke verwikkelingen huwde hij in 1833 Harriet Smithson. Zij kregen een zoon, Louis, maar het huwelijk zou snel op een mislukking uitlopen. Nadat Harriet een been had gebroken kwam het nooit meer goed met haar carrière. Bovendien was ze erg jaloers van aard, en in haar frustratie greep zij steeds vaker naar de fles. Haar gezondheid ging zienderogen achteruit.
Om zijn composities uitgevoerd te krijgen besloot Berlioz zich zelf toe te leggen op het dirigeren. Hij ontwikkelde zich tot een van de beste dirigenten van zijn tijd. Intussen wist hij in zijn onderhoud te voorzien door het schrijven van muziekkritieken. Ook daarin blonk hij uit, al joeg hij met zijn scherpe pen heel wat mensen tegen zich in het harnas. Later zou Berlioz een klein vast inkomen verdienen als bibliothecaris van het conservatorium in Parijs, de enige officiële functie die hij heeft bekleed.
Een grote staatsopdracht kreeg hij, toen hij in 1837 uitgenodigd werd een grootschalig requiem te schrijven. De uitvoering werd een groot succes. Maar zijn eerste opera, Benvenuto Cellini uit 1838, gebaseerd op de autobiografie van die edelsmid, draaide vanwege het onconventionele karakter uit op een groot fiasco, en Berlioz zou hierna in de Parijse opera geen voet meer aan de grond krijgen. Shakespeare inspireerde hem tot het schrijven van de symfonie Roméo et Juliette, die in 1839 meer succes had.
In 1842/43 maakte hij voor het eerst een grote tournee met zijn werken door België en Duitsland. Hij oogstte vanaf toen meer waardering in het buitenland dan in Frankrijk. Dankzij zijn vriend Liszt werden veel van zijn werken in Weimar uitgevoerd, en uit Baden-Baden kwam de opdracht om de opera Béatrice et Bénédict te schrijven. Berlioz deed op zijn reizen ook verschillende malen Rusland en Engeland aan.
In 1844, ingestort door de organisatie van een mammoetconcert voor 8000 personen publiek en 1000 musici kwam hij weer in Nice om rust te houden. Daar begon hij aan zijn ouverture Le Corsaire (De zeerover) die in 1852 in druk verscheen. Pas later legde men het verband met het gelijknamige gedicht van Lord Byron, die door Berlioz bewonderd werd.
Gedurende een reis door Midden-Europa vond hij de tijd om La damnation de Faust te schrijven, een soort opera bestemd voor de concertzaal, of liever voor het 'theater van de verbeelding', gebaseerd op de Faust van Goethe. Het grootschalige werk, dat tegenwoordig als een van Berlioz' meesterwerken wordt beschouwd, ruïneerde hem bijna toen de zaal bij de uitvoeringen in 1846 vrijwel leeg bleef.
In 1854 stierf Harriet en hertrouwde Berlioz met de middelmatige zangeres Marie Recio, met wie hij al enige tijd een relatie onderhield. Zij stierf op haar beurt in 1862. Berlioz werd in 1856 tot lid van het Institut de France gekozen. Een jeugddroom kwam uit, toen hij van 1856 tot 1858 de opera Les Troyens componeerde, die hij echter nooit in zijn geheel opgevoerd heeft gekregen.
Verbitterd over het uitblijven van waardering in eigen land leed hij de laatste jaren van zijn leven een teruggetrokken bestaan, geplaagd door een darmziekte. Zijn grootste geluk putte hij uit het hernieuwde contact met zijn jeugdliefde Estelle en met zijn zoon, die matroos geworden was. Toen deze in 1867 op Cuba stierf, was Berlioz gebroken en wachtte hij alleen nog maar op de dood. Hij ligt begraven op het kerkhof van Montmartre.
Berlioz als componist
Berlioz schreef muziek in veel verschillende genres, maar de kamermuziek ontbreekt vrijwel geheel in zijn oeuvre. Wel schreef hij liederen voor zang en piano, maar die worden niet tot zijn belangrijkste werken gerekend.Hij voelde zich beter thuis in werken met omvangrijke bezettingen.
Berlioz was een zeer kundig orkestrator en gebruikte dikwijls nieuwe instrumenten in zijn orkestbezetting. Hij permitteerde zich een grote vormvrijheid en introduceerde het leidmotief (bij hem: idée fixe) in de muziek. Berlioz geldt als de vader van de programmamuziek: muziek die een buitenmuzikaal onderwerp uitbeeldt.
Al deze aspecten komen tot uitdrukking in zijn beroemdste werk, de Symphonie fantastique (Épisode de la vie d'un artiste) uit 1830, waaraan een uitgebreid geschreven programma ten grondslag ligt.
Zijn Requiem uit 1837 vereist een zeer grote bezetting met vier extra koperensembles en zestien pauken. De massale passages worden afgewisseld door uiterst verstilde. Bijzonder in dit werk is de bewuste toepassing van ruimtelijke klankwerking (de kopergroepen staan verspreid opgesteld).
De belangrijkste opera van Berlioz is het omvangrijke werk Les Troyens, geschreven in 1856-58 en gebaseerd op de Aeneis van Vergilius. Uit praktische overwegingen was Berlioz gedwongen het werk in tweeën te splitsen, waarna alleen het tweede gedeelte, Les Troyens à Carthage, in 1863 uiteindelijk opgevoerd werd. Pas laat in de twintigste eeuw is men de volledige opera gaan waarderen als een hoogtepunt in het genre.
Berlioz als schrijver
Behalve als componist wordt Berlioz ook gewaardeerd als schrijver. Hij schreef vele artikelen over muziek in verschillende bladen. Dat zorgde voor een vaste bron van inkomsten, maar het leverde hem ook een hoop vijanden op. Van 1835 tot 1863 was hij vaste muziekcriticus van het Journal des débats, de meest invloedrijke krant van Frankrijk. Daarnaast schreef hij vooral voor de Revue et gazette musicale de Paris.
Zijn beste en meest humoristische muziekkritische artikelen bundelde hij in Les soirées de l'orchestre (1852), Les grotesques de la musique (1859) en A travers chants (1862). Het meest lezenswaard is de eerstgenoemde bundel (Nederlandse vertaling: Avonden met het orkest, 2006). Het is een bonte verzameling verhalen, anekdotes en satires die samen een zeer levendig beeld geven van het muziekleven in de negentiende eeuw. Zijn leerboek Traité d'instrumentation et d'orchestration (1843) heeft veel invloed gehad op latere generaties componisten.
Zijn zeer onderhoudende Mémoires (1870), die pas na zijn dood werden gepubliceerd, zijn ook in het Nederlands vertaald en worden niet alleen in de muziek maar in de gehele literatuur als klassieker beschouwd. Het boek is overigens geen standaard autobiografie maar meer een verzameling van brieven en ander (veelal eerder gepubliceerd) werk; het schetst een prachtig beeld van de romantiek door de ogen van een man die hier een centrale rol in speelde. Acht jaar lang is de componist bezig geweest met het schrijven van deze levensherinneringen.
Voornaamste werken
Symfonieën
- Symphonie fantastique, épisodes d'une vie d'artiste, opus 14 (1830)
- Rêveries - Passions (Mijmeringen - Hartstochten)
- Un bal (Een bal)
- Scène aux champs (Scène op de velden)
- Mache au supplice (Gang naar het schavot)
- Songe d'une nuit du sabbat (Droom van een heksensabbat)
- Harold aux montagnes (Harold in de bergen)
- Marche des pèlerins (Pelgrimsmars)
- Sérénade (Serenade)
- Orgie des brigands (Roversorgie)
- Roméo et Juliette, symfonie met koor en solisten, opus 17 (1839)
- Introduction (Inleiding)
- Roméo seul (Romeo alleen)
- Scène d'amour (Liefdesscène)
- La reine Mab (Koningin Mab)
- Convoi funèbre de Juliette (Lijkstoet van Julia)
- Roméo au tombeau des Capulets (Romeo bij het graf van de Capulets)
- Finale (Finale)
- Grande Symphonie funèbre et triomphale, symfonie voor blaasorkest, opus 15 (1840)
- Marche funèbre (Begrafenismars)
- Oraison funèbre (Grafrede)
- Apothéose (Apotheose)
Concertouvertures
- Les francs-juges, opus 3 (1826)
- Le roi Lear, opus 4 (1831)
- Le carnaval romain, opus 9 (1844)
- Le Corsaire, opus 21 (1844)
Opera's
- Benvenuto Cellini, opus 23 (gecomponeerd 1834-38; première Parijs, 10 september 1838), opera in twee bedrijven en vier taferelen op een libretto van Léon de Wailly en Auguste Barbier
- Les Troyens, opus 29 (gecomponeerd 1856-58; gedeeltelijke première Parijs, 4 november 1863), opera in vijf bedrijven op een zelf geschreven libretto naar Vergilius
- Béatrice et Bénédict, opus 27 (gecomponeerd 1860-62; première Baden-Baden, 9 augustus 1862), opera-comique in twee bedrijven op een zelf geschreven libretto naar Shakespeare
Grote koorwerken
- Messe solennelle, mis voor solisten, koor en orkest (1824)
- Requiem (Grande messe des morts), voor tenor, koor en orkest, opus 5 (1837)
- La damnation de Faust, 'concertopera' voor solisten, koor en orkest, opus 24 (1846) op een grotendeels zelf geschreven tekst naar Goethe
- Te Deum, voor tenor, koor en orkest, opus 22 (1849)
- L'enfance du Christ, oratorium voor solisten, koor en orkest (1854) op een zelf geschreven tekst
Orkestliederen
- Les nuits d'été (1841, georkestreerd in 1856) op teksten van Théophile Gautier
- Villanelle
- Le spectre de la rose
- Sur les lagunes
- Absence
- Au cimetière
- L'île inconnue
Zie vooral ook
- De Symphonie fantastique met volledig programma.
- Het uitgebreide artikel over de opera Les Troyens.
Externe links
- The Hector Berlioz Website - verreweg de meest informatieve site (Engels)
- Het Berlioz-museum in zijn geboortehuis in La Côte-Saint-André (Frans)
- Volledige werkencatalogus van Hector Berlioz
- Volledige tekst in het Frans van de Mémoires van Hector Berlioz
- Fraai vormgegeven en informatieve site van de Franse nationale bibliotheek (Frans)
Nederlandstalige bibliografie
Boeken van Berlioz
- Hector Berlioz, Mijn leven (vertaling van Mémoires door W. Scheltens). Amsterdam: De Arbeiderspers, 1987 (Privé-domein) (2 delen, 304 + 451 blz.). ISBN 90-295-0221-5 (deel 1), ISBN 90-295-0226-6 (deel 2)
- Hector Berlioz, Avonden met het orkest (vertaling van Les soirées de l'orchestre door Pepijn van Doesburg). Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 2006 (512 blz.). ISBN 90-450-1371-1
Biografieën
- D. F. Scheurleer, Twee titanen der negentiende eeuw: Hector Berlioz en Antoine Wiertz. Haarlem: W.C. de Graaf, 1878 (169 blz.)
- John Daniskas, Hector Berlioz. Amsterdam: H.J.W. Becht, 1948 (59 blz.)
- F. Knuttel, Hector Berlioz. ’s-Gravenhage: W.P. van Stockum & Zoon, 1948 (284 blz.)
- Rik Verbeke, Berlioz. Haarlem/Antwerpen: Gottmer, 1952 (301 blz.)
- Robert Clarson-Leach (tekst), Jos van Leeuwen (samenstelling/bewerking), Berlioz (Componistenreeks). Haarlem: J.H. Gottmer, 1990 (223 blz.), incl. werkencatalogus, bibliografie, tijdtafel, personenregister. ISBN 90-257-2189-3
- Hennie Molenaar (samenstelling), Berlioz in de spiegel van zijn tijd. Haarlem: J.H. Gottmer, 1994 (256 blz.). ISBN 90-257-2630-5
- Christian Wasselin (tekst), Charlotte Voake (illustraties), Hector Berlioz. Tielt: Lannoo, 2000 (27 blz.), incl. CD (uitgave voor kinderen). ISBN 90-209-3957-2
Libretti
- La Damnation de Faust (vertaling door Jenny Tuin). Amsterdam, De Nederlandse Opera, 1989. ISBN 90-5082-020-4
- idem. Amsterdam, De Nederlandse Opera, 1991. ISBN 90-5082-046-8
- Benvenuto Cellini (vertaling door Aaldert van den Bogaard). Amsterdam, De Nederlandse Opera, 1991. ISBN 90-5082-039-5
- Béatrice et Bénédict (vertaling door Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen). Amsterdam: De Nederlandse Opera, 2001. ISBN 90-5082-124-3
- Les Troyens (vertaling door Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen). Amsterdam: De Nederlandse Opera, 2003. ISBN 90-5082-144-8
Categorieën
Frans componist | Frans dirigent | Frans journalist | Klassieke muziek | Muziekcriticus
